Het†Schrijverke is de naam van een gedicht van Guido Gezelle. Ik heb ervoor gekozen om deze naam te gebruiken bij publicaties, omdat in die naam een aantal lijntjes samenkomen:

  • Het begon toen we ooit aan de Guido Gezellelaan woonden...
  • en we ons huis de naam "'t Schrijverke" gaven.
  • Bij mijn werk zit ik vrij veel achter de tekstverwerker.
  • Het schrijvertje in het gedicht van Guido Gezelle is een watertorretje dat in zijn leven de naam van God uitschrijft. Voor mij een voorbeeld om na te volgen.

Het taalgebruik van Guido Gezelle is uiteraard gedateerd. Overigens: wie een klein beetje kan relativeren, beseft dat dat ook voor zichzelf geldt. Laat het wat oudere Nederlands je er niet van weerhouden om deze poŽzie op je in te laten werken.

Wil je meer weten over Guido Gezelle, over zijn werk of over zijn leefwereld? Ga dan naar http://users.belgacom.net/merton/indexgg.htm of naar http://www.gezelle.be.

Wil je zien hoe schrijvertjes eruit zien? Klik dan hier.



Het Schrijverke
Guido Gezelle (1830-1899)


O krinklende wrinklende waterding,
††††met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
††††al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
††††al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
††††al zie 'k u geen ooge, geen een.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
††††Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
††††dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spegelend water klaar,
††††en 't water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
††††dat stille over 't waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,-
††††met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan:-
††††Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
Gij schrijft en 't staat in het water niet,
††††gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen Christen en weet er wat dat bediedt:
††††och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
††††Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladjes of blomkes zoet,
††††of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
††††of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
††††of is het u, schrijverke, zelf?
En 't krinklende wrinklende waterding,
††††met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijn oorkes flink,
††††en 't bleef daar een stondeke staan:
'Wij schrijven', zoo sprak het, 'al krinklend af
††††het gene ons Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
††††een lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
††††niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
††††den heiligen Name van God!'
Als gezin in Brugge (begin jaren negentig)
De damesafdeling (ongeveer 15 jaar later)

naar†het†begin†van†deze†pagina